Halveer de pruimen, verwijder de pitten en snijd elke helft in drie parten. Kies pruimen die nog stevig aanvoelen: rijpe exemplaren vallen in de pan meteen uit elkaar, terwijl stevige pruimen hun vorm houden en alleen aan de snijkanten karamelliseren.
Smelt de roomboter in een koekenpan op middelhoog vuur tot het schuim wegtrekt. Leg de pruimenparten met een snijkant naar beneden in de pan en laat ze twee minuten ongemoeid liggen, zodat ze een diep goudbruin randje krijgen. Draai ze om, strooi de kaneel erover en bak nog een tot twee minuten. Blus af met het citroensap en haal de pan van het vuur; het vocht in de pan wordt zo een dun siroopje van louter fruit en boter.
Rooster de walnoten intussen kort in een droog pannetje tot ze geuren en hak ze grof.
Roer het vanille-extract door de yoghurt en schep hem in een kom. Leg de warme pruimen erop en lepel het pannenvocht erover.
Bestrooi met de walnoten en eet meteen, nu het fruit nog warm is en de yoghurt koel.