Snijd de aubergine in de lengte in plakken van een centimeter dik. Bestrooi ze aan beide kanten met zout en laat ze tien minuten liggen op keukenpapier. Er komt dan vocht uit, waardoor de plakken later mooi bruin worden in plaats van te stomen in hun eigen sap.
Dep de plakken droog, bestrijk ze met twee eetlepels olijfolie en gril ze in een gloeiend hete grillpan drie minuten per kant, tot ze donkere strepen hebben en helemaal zacht zijn. Een halfgare aubergine blijft sponzig en bitter, dus gaar ze echt door.
Klop de tahin met het sap van een halve citroen, de geraspte knoflook, een snuf zout en twee tot drie eetlepels koud water tot een gladde saus. De tahin schift eerst en wordt daarna ineens romig; blijf gewoon doorroeren.
Spoel de kikkererwten af, laat ze uitlekken en meng ze met de komijn, de rest van de olijfolie, wat citroensap, zout en peper.
Leg de rucola op een bord, drapeer de gegrilde aubergine erover en schep de kikkererwten ertussen. Lepel de tahinsaus royaal over het geheel, strooi de granaatappelpitten en de sumak erover en werk af met veel gescheurde peterselie en munt.