Verwarm de oven voor op 200 graden. Halveer de appel, verwijder het klokhuis en snijd de helften in parten van een centimeter dik. Schillen hoeft niet; in de schil zit het grootste deel van de vezels, en die vertragen de opname van de vruchtsuikers eronder.
Leg de parten in een klein ovenschaaltje, verdeel er kleine klontjes roomboter over, strooi de kaneel erbij en leg een paar takjes tijm ertussen. Rooster de appel vijftien tot achttien minuten tot hij zacht is en aan de randen begint te bruinen. Bij roosteren verdampt een deel van het vocht, waardoor de eigen zoetheid zich concentreert en je aan een theelepel honing meer dan genoeg hebt.
Rooster de hazelnoten intussen droog in een koekenpan tot de velletjes barsten en loslaten. Wrijf ze in een schone theedoek om de bittere velletjes te verwijderen, laat ze afkoelen en hak ze grof.
Maal het lijnzaad kort in een vijzel. Heel lijnzaad passeert de darm grotendeels ongeschonden, waardoor je de vezels en de lignanen erin nauwelijks opneemt; gebroken zaad geeft ze wel af.
Roer de ricotta los met wat citroenrasp en een paar druppels citroensap tot hij luchtig is, en schep hem in een kom.
Leg de warme appel er met de gesmolten boter uit het schaaltje op. Strooi de hazelnoten en het gemalen lijnzaad erover, druppel de honing erbij en rits er nog wat verse tijmblaadjes overheen.